grote vriendelijke mier

WE ZIJN beland aan de voet van de Inas-berg in het noorden van Maleisië. Preciezer: aan het eind van een doodlopend zijweggetje van een binnenweggetje dat zich afsplitste van een B-weg waarvan we dachten dat hij over de Inas leidde, naar het stadje Gerik. De B-weg liep dood en nu staan onze fietsen in de schaduw van tropisch bos.

Aan onze voeten een waterval die het geknetter overstemt van brommers die aan de overkant komen en gaan. De berijders, ginnegappende dorpelingen. Ze hangen wat over hun stuur of nemen een duik. Ook wij storten ons op de bergbeek, en de brandende hitte lost op als, ehm, sneeuw voor de zon.

Tegen zonsondergang vertrekt de laatste brommer en komen al snel de eerste nachtdieren tevoorschijn. Weinig muggen, maar veel mieren. Een lobbes van 2-3 centimeter die zich snel en zeker over het terrein verspreidt. In tegenstelling tot de rode en de kleinere zwarte mier lopen deze om je heen en bijten niet. Ze maken rechtsomkeert als je de zaklantaarn op ze richt en raken in paniek als ze per ongeluk op de schuimrubberen matras terecht komen. Ook vreemd, ze houden zich niet bezig met het verslepen van een of andere buit. Massaal van hot naar her rennen, zover we kunnen zien is dat hun voornaamste bezigheid. We zitten midden in het gekrioel, kijken ernaar en geen centje last. Microsafari voor onze tent.

Say your words